Faalangsttraining

Begeleiding bij faalangst – faalangsttraining
Een vraag van een van de scholen waar ik kom was: “Faalangst, doe jij dat ook ?”
Deze vraag zette mij aan het denken. Ik zie veel kinderen en heb bij een aantal
wel het vermoeden dat ze gespannen zijn, maar wanneer spreek je echt van faalangst ?

Achtergrond
Faalangst wordt in de boeken beschreven als een cognitieve (‘gedachten’), fysieke en gedragsmatige reactie op een situatie waarin een prestatie geleverd moet worden en je je beoordeeld voelt. Het is een conflict tussen denken, voelen en doen.
Iedereen heeft het, en het is ook helemaal niet erg want enige spanning kan er voor zorgen dat je beter gaat presteren.
Als de spanning je juist bang maakt om te mislukken, en er voor zorgt dat je niet gemotiveerd wordt maar juist geblokkeerd raakt, spreken we van (negatieve) faalangst.
Faalangst is geen karaktertrek of persoonlijkheidskenmerk maar het resultaat van (denk-) stappen die je doet op grond van eerdere ervaringen.
Kinderen met faalangst schatten de kans om te mislukken groot in, en de kans dat het goed gaat heel klein, of deze resultaten zijn het gevolg van wat anderen hebben gedaan, niet zij zelf.

Er zijn eigenlijk drie vormen van faalangst:
1. Cognitieve faalangst, angst voor toetsen, schoolse taken of een spreekbeurt;
Deze kinderen hebben vooraf al negatieve gedachten en dit blokkeert helder denken
2. Sociale faalangst, spreekangst voor een groep of bang om af te gaan t.o.v. anderen;
Deze kinderen tonen lichamelijke reacties zoals zweten, hakkelen of blozen
3. Motorische faalangst, angst voor motorische of wedstrijdtaken zoals bij gym:
De faalangst blokkeert het handelen waardoor je controle over je bewegingen verliest
De oorzaken kunnen zijn: negatieve schoolervaringen; ouders die overbeschermend zijn
(waardoor het kind niet kan leren van fouten) en ouders die te hoge eisen stellen
(waardoor een kind het gevoel kan krijgen dat het nooit goed is).

Begeleiding
Het belangrijkste bij de begeleiding is dat het kind weer een positief beeld
van zichzelf opbouwt en meer zelfvertrouwen krijgt. Het kind moet zijn eigen sterke
en zwakke kanten leren kennen, zichzelf accepteren zoals het is en er beter mee leren
omgaan. De omgeving kan helpen door een goede sfeer in de groep op school en
onderwijs dat is afgestemd op wat het kind kan. De leerkracht kan de nadruk leggen
op hoe het kind heeft gewerkt in plaats van wat het gepresteerd heeft.
Thuis kunnen ouders helpen door het kind positief te benaderen,
welgemeende complimenten geven en bij kritiek bespreken hoe het kind het
anders had kunnen doen. De fouten moeten gezien worden als leermomenten.
Kinderen bij wie het niet lukt de negatieve faalangst om te buigen in positieve
faalangst kunnen door middel van een faalangstreductietraining leren de faalangst
de baas te worden. Dit kan in een groep kinderen maar ook individueel.
In zo’n training leren ze hun negatieve (niet- helpende) gedachten,
te vervangen door positieve (helpende) gedachten. Deze gedachten bepalen je gevoel
over een situatie en zijn van invloed op je gedrag. Ook leren deze kinderen ontspannings
en ademhalingsoefeningen die ze kunnen gebruiken om om te gaan met lichamelijke
reacties op faalangst.  Aan de ouders wordt geleerd om een aanmoedigende
houding aan te nemen en de kinderen op een positieve manier te begeleiden.

Meer informatie: http://www.faalangst.nl/

 

Tags: , ,

Comments are closed.